samenleven
werkwoordBetekenis
- In één huis wonen zonder getrouwd te zijn, hokken, samenhokken, samenwonen
- in één land, regio of stad wonen
Vervoeging van samenleven
samenlevenhele werkwoord — leefde samenverleden tijd enkelvoud — leefden samenverleden tijd meervoud — samengeleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leef samen | leefde samen |
| jij | leeft samen | leefde samen |
| hij, zij, het | leeft samen | leefde samen |
| wij | leven samen | leefden samen |
| jullie | leven samen | leefden samen |
| zij | leven samen | leefden samen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengeleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengeleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengeleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengeleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengeleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengeleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengeleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengeleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengeleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leef samen | gebiedende wijs |
| leefde samen | verleden tijd |
| samen te leven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen leven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal leven | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou leven | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden leven | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt leven | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen leven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen leven | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult leven | bijzin, toekomende tijd |
| samengeleefd | verleden tijd, deelwoord |
| samengeleefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengeleefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenleef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenleefde | bijzin, verleden tijd |
| samenleefden | bijzin, verleden tijd |
| samenleeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenlevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben samengeleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenleven | bijzin, toekomende tijd |
| zou samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenleven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenleven samen zou(dt) leven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenleven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengeleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenleven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenleven | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengeleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenleven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenleven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenleven samen zult/zal leven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van het bijwoord samen en leven
Woordfamilie van samenleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leef samen | gebiedende wijs | samenleven |
| leefde samen | verleden tijd | samenleven |
| leefden samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenleven |
| leeft samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenleven |
| leve samen | woordvorm | samenleven |
| leven samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenleven |
| samengeleefd | voltooid deelwoord | samenleven |
| samenleef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenleven |
| samenleefde | subordinate-clause, verleden tijd | samenleven |
| samenleefden | subordinate-clause, verleden tijd | samenleven |
| samenleeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenleven |
| samenleve | with-subordinate-clause | samenleven |
| samenlevend | onvoltooid deelwoord | samenleven |
| samenlevende | woordvorm | samenleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenleven zijn vastgelegd.