Naar de inhoud

samengaan

bij elkaar passen

samengaan

werkwoord

Betekenis

  1. bij elkaar passen
  2. het gemeenschappelijk doen van iets

Vervoeging van samengaan

samengaanhele werkwoord — ging samenverleden tijd enkelvoud — gingen samenverleden tijd meervoud — samengegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga samen ging samen
jij gaat samen ging samen
hij, zij, het gaat samen ging samen
wij gaan samen gingen samen
jullie gaan samen gingen samen
zij gaan samen gingen samen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga samen gebiedende wijs
ging samen verleden tijd
is samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
samen te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal gaan bijzin, toekomende tijd
samen zou gaan bijzin, voorwaardelijk
samen zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
samen zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen gaan bijzin, toekomende tijd
samen zult gaan bijzin, toekomende tijd
samenga bijzin, tegenwoordige tijd
samengaand onvoltooid, deelwoord
samengaat bijzin, tegenwoordige tijd
samengegaan verleden tijd, deelwoord
samengegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenging bijzin, verleden tijd
samengingen bijzin, verleden tijd
te zijn samengegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samengaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart samengegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren samengegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was samengegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was samengegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was samengegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samengaan bijzin, toekomende tijd
zal samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn samengegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt samengegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samengaan bijzin, voorwaardelijk
zou samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) samengaan samen zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samengaan bijzin, voorwaardelijk
zouden samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samengaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen samengaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samengaan bijzin, toekomende tijd
zullen samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult samengaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult samengaan bijzin, toekomende tijd
zult samengegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal samengaan samen zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van samen en gaan

Woordfamilie van samengaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga samen gebiedende wijs samengaan
gaan samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samengaan
gaat samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samengaan
ging samen verleden tijd samengaan
gingen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samengaan
samenga subordinate-clause, tegenwoordige tijd samengaan
samengaand onvoltooid deelwoord samengaan
samengaande woordvorm samengaan
samengaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd samengaan
samengegaan voltooid deelwoord samengaan
samenging subordinate-clause, verleden tijd samengaan
samengingen subordinate-clause, verleden tijd samengaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samengaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over samengaan

Wat is de betekenis van samengaan?
Samengaan is een werkwoord. De betekenis is: bij elkaar passen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik samengaan?
Zo vervoeg je samengaan zo: het voltooid deelwoord is samengegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samengaan is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samengaan levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samengaan in het kort

samengaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van samengaan staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort samengaan bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

samengaan: bij elkaar passen
Deel samengaan — standaardnederlands.nl