samengaan
werkwoordBetekenis
- bij elkaar passen
- het gemeenschappelijk doen van iets
Vervoeging van samengaan
samengaanhele werkwoord — ging samenverleden tijd enkelvoud — gingen samenverleden tijd meervoud — samengegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga samen | ging samen |
| jij | gaat samen | ging samen |
| hij, zij, het | gaat samen | ging samen |
| wij | gaan samen | gingen samen |
| jullie | gaan samen | gingen samen |
| zij | gaan samen | gingen samen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga samen | gebiedende wijs |
| ging samen | verleden tijd |
| is samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| samenga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samengaand | onvoltooid, deelwoord |
| samengaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samengegaan | verleden tijd, deelwoord |
| samengegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenging | bijzin, verleden tijd |
| samengingen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn samengegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samengaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart samengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn samengegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) samengaan samen zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen samengaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult samengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal samengaan samen zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en gaan
Woordfamilie van samengaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga samen | gebiedende wijs | samengaan |
| gaan samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samengaan |
| gaat samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samengaan |
| ging samen | verleden tijd | samengaan |
| gingen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samengaan |
| samenga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samengaan |
| samengaand | onvoltooid deelwoord | samengaan |
| samengaande | woordvorm | samengaan |
| samengaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samengaan |
| samengegaan | voltooid deelwoord | samengaan |
| samenging | subordinate-clause, verleden tijd | samengaan |
| samengingen | subordinate-clause, verleden tijd | samengaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samengaan zijn vastgelegd.