samenblijven
werkwoordBetekenis
- vasthouden aan een onderlinge band
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van samenblijven
samenblijvenhele werkwoord — bleef samenverleden tijd enkelvoud — bleven samenverleden tijd meervoud — samengeblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijf samen | bleef samen |
| jij | blijft samen | bleef samen |
| hij, zij, het | blijft samen | bleef samen |
| wij | blijven samen | bleven samen |
| jullie | blijven samen | bleven samen |
| zij | blijven samen | bleven samen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bleef samen | verleden tijd |
| blijf samen | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te blijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen blijven | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult blijven | bijzin, toekomende tijd |
| samenbleef | bijzin, verleden tijd |
| samenbleven | bijzin, verleden tijd |
| samenblijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenblijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenblijvend | onvoltooid, deelwoord |
| samengebleven | verleden tijd, deelwoord |
| samengebleven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengebleven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn samengebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart samengebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zal samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn samengebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) samenblijven samen zou(dt) blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen samenblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult samenblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal samenblijven samen zult/zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en blijven
Woordfamilie van samenblijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bleef samen | verleden tijd | samenblijven |
| bleven samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenblijven |
| blijf samen | gebiedende wijs | samenblijven |
| blijft samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenblijven |
| blijve samen | woordvorm | samenblijven |
| blijven samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenblijven |
| samenbleef | subordinate-clause, verleden tijd | samenblijven |
| samenbleven | subordinate-clause, verleden tijd | samenblijven |
| samenblijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenblijven |
| samenblijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenblijven |
| samenblijve | with-subordinate-clause | samenblijven |
| samenblijvend | onvoltooid deelwoord | samenblijven |
| samenblijvende | woordvorm | samenblijven |
| samengebleven | voltooid deelwoord | samenblijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenblijven zijn vastgelegd.