salueren
werkwoordBetekenis
- iemand op militaire wijze groeten
Vervoeging van salueren
saluerenhele werkwoord — salueerdeverleden tijd enkelvoud — salueerdenverleden tijd meervoud — gesalueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | salueer | salueerde |
| jij | salueert | salueerde |
| hij, zij, het | salueert | salueerde |
| wij | salueren | salueerden |
| jullie | salueren | salueerden |
| zij | salueren | salueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesalueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesalueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesalueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesalueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesalueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesalueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesalueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesalueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesalueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesalueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesalueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesalueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesalueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesalueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesalueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesalueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesalueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesalueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesalueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesalueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| salueer | gebiedende wijs |
| salueerde | verleden tijd |
| saluere | aanvoegende wijs |
| saluerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesalueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te salueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen salueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesalueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesalueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesalueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesalueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesalueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesalueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesalueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt salueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen salueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesalueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesalueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesalueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult salueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘militair groeten’ voor het eerst aangetroffen in 1861
Woordfamilie van salueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesalueerd | voltooid deelwoord | salueren |
| gesalueerde | woordvorm | salueren |
| salueer | gebiedende wijs | salueren |
| salueerde | verleden tijd | salueren |
| salueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | salueren |
| salueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | salueren |
| saluere | aanvoegende wijs | salueren |
| saluerend | onvoltooid deelwoord | salueren |
| saluerende | woordvorm | salueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van salueren zijn vastgelegd.