| - |
impersonal, passief
|
| ben geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is geröntgend |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was geröntgend |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd geröntgend |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt geröntgend |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal geröntgend worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal geröntgend zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou geröntgend worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou geröntgend zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| geröntgend |
verleden tijd, deelwoord
|
| geröntgend te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| geröntgend te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| geröntgend te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geröntgend te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geröntgend te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geröntgend worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| geröntgend zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| geröntgend zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| geröntgend zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| geröntgend zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geröntgend |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geröntgend |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geröntgend |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geröntgend |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geröntgend |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geröntgend |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geröntgend |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geröntgend |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| röntgen |
gebiedende wijs
|
| röntgende |
verleden tijd
|
| röntgene |
aanvoegende wijs
|
| röntgenend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben geröntgend |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te röntgenen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen röntgenen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart geröntgend |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren geröntgend |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren geröntgend |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren geröntgend |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was geröntgend |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was geröntgend |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was geröntgend |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt geröntgend |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal geröntgend zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geröntgend zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zijn geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt geröntgend |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt geröntgend hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt geröntgend zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen geröntgend zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geröntgend zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geröntgend zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen röntgenen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult geröntgend hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult geröntgend worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult geröntgend zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult röntgenen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|