russificeren
werkwoordBetekenis
- Russisch maken
Vervoeging van russificeren
russificerenhele werkwoord — russificeerdeverleden tijd enkelvoud — russificeerdenverleden tijd meervoud — gerussificeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | russificeer | russificeerde |
| jij | russificeert | russificeerde |
| hij, zij, het | russificeert | russificeerde |
| wij | russificeren | russificeerden |
| jullie | russificeren | russificeerden |
| zij | russificeren | russificeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerussificeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerussificeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerussificeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerussificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerussificeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerussificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| russificeer | gebiedende wijs |
| russificeerde | verleden tijd |
| russificere | aanvoegende wijs |
| russificerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerussificeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te russificeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen russificeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerussificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen russificeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerussificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult russificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse russifier (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van russificeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerussificeerd | voltooid deelwoord | russificeren |
| russificeer | gebiedende wijs | russificeren |
| russificeerde | verleden tijd | russificeren |
| russificeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | russificeren |
| russificeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | russificeren |
| russificere | aanvoegende wijs | russificeren |
| russificerend | onvoltooid deelwoord | russificeren |
| russificerende | woordvorm | russificeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van russificeren zijn vastgelegd.