ritselen
werkwoordBetekenis
- een zacht ruisend geluid doen horen
- op informele wijze regelen
Vervoeging van ritselen
ritselenhele werkwoord — ritseldeverleden tijd enkelvoud — ritseldenverleden tijd meervoud — geritseldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ritsel | ritselde |
| jij | ritselt | ritselde |
| hij, zij, het | ritselt | ritselde |
| wij | ritselen | ritselden |
| jullie | ritselen | ritselden |
| zij | ritselen | ritselden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geritseld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geritseld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geritseld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geritseld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geritseld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geritseld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geritseld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geritseld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geritseld | verleden tijd, deelwoord |
| geritseld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geritseld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geritseld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geritseld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geritseld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geritseld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geritseld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geritseld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geritseld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geritseld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geritseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geritseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geritseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geritseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geritseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geritseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geritseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geritseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ritsel | gebiedende wijs |
| ritselde | verleden tijd |
| ritsele | aanvoegende wijs |
| ritselend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geritseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ritselen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ritselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geritseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geritseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geritseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geritseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geritseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geritseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geritseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geritseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geritseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geritseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geritseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geritseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geritseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geritseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geritseld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geritseld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geritseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geritseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geritseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geritseld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geritseld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geritseld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ritselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geritseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geritseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geritseld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ritselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een zacht, onregelmatig geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1644
Woordfamilie van ritselen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geritseld | voltooid deelwoord | ritselen |
| geritselde | woordvorm | ritselen |
| ritsel | gebiedende wijs | ritselen |
| ritselde | verleden tijd | ritselen |
| ritselden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ritselen |
| ritsele | aanvoegende wijs | ritselen |
| ritselt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ritselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ritselen zijn vastgelegd.