Naar de inhoud

ruilen

overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen

ruilen is meer dan één woord

ruilen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen

Vervoeging van ruilen

ruilenhele werkwoord — ruildeverleden tijd enkelvoud — ruildenverleden tijd meervoud — geruildvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruil ruilde
jij ruilt ruilde
hij, zij, het ruilt ruilde
wij ruilen ruilden
jullie ruilen ruilden
zij ruilen ruilden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geruild impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geruild impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geruild impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geruild impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geruild worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geruild zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geruild worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geruild zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geruild verleden tijd, deelwoord
geruild te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geruild zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geruild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geruild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geruild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geruild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geruild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geruild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geruild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geruild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geruild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruil gebiedende wijs
ruilde verleden tijd
ruile aanvoegende wijs
ruilend onvoltooid, deelwoord
te hebben geruild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ruilen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ruilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geruild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geruild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geruild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geruild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ruilen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geruild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geruild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geruild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ruilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geruild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ruilen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord ruil

Herkomst

In de betekenis van ‘verwisselen’ voor het eerst aangetroffen in 1506

Woordfamilie van ruilen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geruild voltooid deelwoord ruilen
ruilde verleden tijd ruilen
ruilden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ruilen
ruile aanvoegende wijs ruilen
ruilend onvoltooid deelwoord ruilen
ruilende woordvorm ruilen
ruilt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ruilen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruilen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ruilen

Wat betekent ruilen?
Ruilen is een werkwoord. Het woord betekent: overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen.
Hoe vervoeg je ruilen?
Je vervoegt ruilen als volgt: de tegenwoordige tijd is ruil, de verleden tijd is ruilde en het voltooid deelwoord is geruild. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ruilen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. U 4
  3. I 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ruilen levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. U 2
  3. I 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ruilen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

ruilen in het kort

ruilen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van ruilen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ruilen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ruilen: overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen
Deel ruilen — standaardnederlands.nl