rouwdouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- op lompe wijze te werk gaan
Vervoeging van rouwdouwen
rouwdouwenhele werkwoord — rouwdouwdeverleden tijd enkelvoud — rouwdouwdenverleden tijd meervoud — gerouwdouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rouwdouw | rouwdouwde |
| jij | rouwdouwt | rouwdouwde |
| hij, zij, het | rouwdouwt | rouwdouwde |
| wij | rouwdouwen | rouwdouwden |
| jullie | rouwdouwen | rouwdouwden |
| zij | rouwdouwen | rouwdouwden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerouwdouwd | verleden tijd, deelwoord |
| gerouwdouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerouwdouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerouwdouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerouwdouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerouwdouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rouwdouw | gebiedende wijs |
| rouwdouwde | verleden tijd |
| rouwdouwe | aanvoegende wijs |
| rouwdouwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerouwdouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rouwdouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rouwdouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerouwdouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rouwdouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerouwdouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rouwdouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rouwdouw
Herkomst
samenstelling van rouw bn "ruw" en douwen ww
Woordfamilie van rouwdouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerouwdouwd | voltooid deelwoord | rouwdouwen |
| rouwdouwde | verleden tijd | rouwdouwen |
| rouwdouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rouwdouwen |
| rouwdouwe | aanvoegende wijs | rouwdouwen |
| rouwdouwend | onvoltooid deelwoord | rouwdouwen |
| rouwdouwende | woordvorm | rouwdouwen |
| rouwdouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rouwdouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rouwdouwen zijn vastgelegd.