rondlopen
werkwoordBetekenis
- een gesloten kromme lopend volmaken
- herhaaldelijk ongericht lopen door een bepaald gebied
Vervoeging van rondlopen
rondlopenhele werkwoord — liep rondverleden tijd enkelvoud — liepen rondverleden tijd meervoud — rondgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop rond | liep rond |
| jij | loopt rond | liep rond |
| hij, zij, het | loopt rond | liep rond |
| wij | lopen rond | liepen rond |
| jullie | lopen rond | liepen rond |
| zij | lopen rond | liepen rond |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had rondgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had rondgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had rondgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden rondgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden rondgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden rondgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt rondgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben rondgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft rondgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep rond | verleden tijd |
| loop rond | gebiedende wijs |
| rond te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| rond te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| rond zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| rond zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| rond zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| rond zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| rond zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| rond zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| rond zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| rondgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| rondgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| rondgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| rondliep | bijzin, verleden tijd |
| rondliepen | bijzin, verleden tijd |
| rondloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| rondloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| rondlopend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben rondgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rondlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal rondlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou rondlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) rondlopen rond zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden rondlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt rondgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt rondlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rondlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen rondlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult rondgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rondlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult rondlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal rondlopen rond zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van rond en lopen
Woordfamilie van rondlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep rond | verleden tijd | rondlopen |
| liepen rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rondlopen |
| loop rond | gebiedende wijs | rondlopen |
| loopt rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rondlopen |
| lope rond | woordvorm | rondlopen |
| lopen rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | rondlopen |
| rondgelopen | voltooid deelwoord | rondlopen |
| rondliep | subordinate-clause, verleden tijd | rondlopen |
| rondliepen | subordinate-clause, verleden tijd | rondlopen |
| rondloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | rondlopen |
| rondloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | rondlopen |
| rondlope | with-subordinate-clause | rondlopen |
| rondlopend | onvoltooid deelwoord | rondlopen |
| rondlopende | woordvorm | rondlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rondlopen zijn vastgelegd.