rolschaats
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈrɔlsxatsBetekenis
- een onder de voet te binden stel wieltjes waarop men zich schaatsend voortbewegen kan
Hoe spreek je rolschaats uit?
/ˈrɔlsxats/
Rolschaats bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| l | land |
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rolschaatsen | meervoud |
| rolschaatsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rolschaatsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rolschaatsen
- gebiedende wijs van rolschaatsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rolschaatsen
Vervoeging van rolschaats
rolschaatshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schaats op wieltjes’ voor het eerst aangetroffen in 1888
Woordfamilie van rolschaats
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rolschaatsje | verkleinwoord | rolschaats |
| rolschaatsjes | verkleinwoord meervoud | rolschaats |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rolschaats zijn vastgelegd.