roddelen
werkwoord ˈrɔdələ(n)Betekenis
- op een vervelende manier over anderen praten
Hoe spreek je roddelen uit?
/ˈrɔdələn/
Roddelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- nare dingen over anderen zeggen in hun afwezigheid
Vervoeging van roddelen
roddelenhele werkwoord — roddeldeverleden tijd enkelvoud — roddeldenverleden tijd meervoud — geroddeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roddel | roddelde |
| jij | roddelt | roddelde |
| hij, zij, het | roddelt | roddelde |
| wij | roddelen | roddelden |
| jullie | roddelen | roddelden |
| zij | roddelen | roddelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geroddeld | verleden tijd, deelwoord |
| geroddeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroddeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geroddeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geroddeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geroddeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geroddeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geroddeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geroddeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geroddeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroddeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roddel | gebiedende wijs |
| roddelde | verleden tijd |
| roddele | aanvoegende wijs |
| roddelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geroddeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roddelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roddelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geroddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roddelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geroddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘kwaadspreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865-1870
Woordfamilie van roddelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geroddeld | voltooid deelwoord | roddelen |
| roddelde | verleden tijd | roddelen |
| roddelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roddelen |
| roddele | aanvoegende wijs | roddelen |
| roddelend | onvoltooid deelwoord | roddelen |
| roddelende | woordvorm | roddelen |
| roddelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | roddelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roddelen zijn vastgelegd.