Naar de inhoud

ritten

rijden

ritten is meer dan één woord

ritten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. rijden

Vervoeging van ritten

rittenhele werkwoord — ritteverleden tijd enkelvoud — geritvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rit ritte
jij rit ritte
hij, zij, het rit ritte
wij ritten —
jullie ritten —
zij ritten —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gerit verleden tijd, deelwoord
gerit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rit gebiedende wijs
ritte verleden tijd
ritte aanvoegende wijs
rittend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ritten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ritten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ritten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ritten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ritten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord rit

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van ritten

Vervoeging van ritten

rittenhele werkwoord

Woordfamilie van ritten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerit voltooid deelwoord ritten
ritte verleden tijd ritten
rittend onvoltooid deelwoord ritten
rittende woordvorm ritten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ritten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ritten

Wat betekent ritten?
Ritten is een werkwoord. Het woord betekent: rijden.
Hoe vervoeg je ritten?
Je vervoegt ritten als volgt: de tegenwoordige tijd is rit, de verleden tijd is ritte en het voltooid deelwoord is gerit. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ritten is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. I 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ritten levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 42 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 42 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (R) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ritten telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

ritten in het kort

ritten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van ritten zijn 29 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ritten bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ritten: rijden
Deel ritten — standaardnederlands.nl