ritten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- rijden
Vervoeging van ritten
rittenhele werkwoord — ritteverleden tijd enkelvoud — geritvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rit | ritte |
| jij | rit | ritte |
| hij, zij, het | rit | ritte |
| wij | ritten | — |
| jullie | ritten | — |
| zij | ritten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerit | verleden tijd, deelwoord |
| gerit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rit | gebiedende wijs |
| ritte | verleden tijd |
| ritte | aanvoegende wijs |
| rittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ritten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ritten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ritten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ritten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ritten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rit
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van ritten
Vervoeging van ritten
rittenhele werkwoord
Woordfamilie van ritten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerit | voltooid deelwoord | ritten |
| ritte | verleden tijd | ritten |
| rittend | onvoltooid deelwoord | ritten |
| rittende | woordvorm | ritten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ritten zijn vastgelegd.