rits
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- reeks, serie
- ritssluiting
- zandrug, schelpenrug; hoger en droger gedeelte in een drasland
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ritsen | meervoud |
| ritsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ritsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ritsen
- gebiedende wijs van ritsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ritsen
Vervoeging van rits
ritshele werkwoord
Herkomst
[1,2] Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘insnijding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van rits
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ritsje | verkleinwoord | rits |
| ritsjes | verkleinwoord meervoud | rits |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rits zijn vastgelegd.