rist
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een groep zaken die op regelmatige wijze zijn geordend
- rooster
- (het) schudden
- schub (van vissen)
- rust, gebruikt alleen in de uitdrukking: ikke ha rist eller ro (på seg)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| risten | meervoud |
| ristje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ristjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rissen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rissen
- gebiedende wijs meervoud van rissen
- enkelvoud tegenwoordige tijd van risten
- gebiedende wijs van risten
Vervoeging van rist
risthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘bundel (van vlas e.d.)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1380
Woordfamilie van rist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ristje | verkleinwoord | rist |
| ristjes | verkleinwoord meervoud | rist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rist zijn vastgelegd.