Naar de inhoud

revalideren

weer valide worden

revalideren

werkwoord

Betekenis

  1. weer valide worden
  2. weer valide maken

Vervoeging van revalideren

revaliderenhele werkwoord — revalideerdeverleden tijd enkelvoud — revalideerdenverleden tijd meervoud — gerevalideerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik revalideer revalideerde
jij revalideert revalideerde
hij, zij, het revalideert revalideerde
wij revalideren revalideerden
jullie revalideren revalideerden
zij revalideren revalideerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gerevalideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerevalideerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerevalideerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerevalideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerevalideerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerevalideerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerevalideerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerevalideerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerevalideerd verleden tijd, deelwoord
gerevalideerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerevalideerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerevalideerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerevalideerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerevalideerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerevalideerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerevalideerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerevalideerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerevalideerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerevalideerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerevalideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
revalideer gebiedende wijs
revalideerde verleden tijd
revalidere aanvoegende wijs
revaliderend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerevalideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te revalideren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen revalideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gerevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gerevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gerevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gerevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gerevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gerevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gerevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gerevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt revalideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen revalideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult revalideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van revalidatie met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van revalideren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerevalideerd voltooid deelwoord revalideren
gerevalideerde woordvorm revalideren
revalideer gebiedende wijs revalideren
revalideerde verleden tijd revalideren
revalideerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon revalideren
revalideert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon revalideren
revalidere aanvoegende wijs revalideren
revaliderend onvoltooid deelwoord revalideren
revaliderende woordvorm revalideren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van revalideren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over revalideren

Wat betekent revalideren?
Revalideren is een werkwoord. Het woord betekent: weer valide worden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je revalideren?
Je vervoegt revalideren als volgt: de tegenwoordige tijd is revalideer, de verleden tijd is revalideerde en het voltooid deelwoord is gerevalideerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord revalideren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. L 3
  6. I 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

revalideren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. L 3
  6. I 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

revalideren in het kort

revalideren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van revalideren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort revalideren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

revalideren: weer valide worden
Deel revalideren — standaardnederlands.nl