respireren
werkwoordBetekenis
- ademhalen, lucht scheppen
Vervoeging van respireren
respirerenhele werkwoord — respireerdeverleden tijd enkelvoud — respireerdenverleden tijd meervoud — gerespireerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | respireer | respireerde |
| jij | respireert | respireerde |
| hij, zij, het | respireert | respireerde |
| wij | respireren | respireerden |
| jullie | respireren | respireerden |
| zij | respireren | respireerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerespireerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerespireerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerespireerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerespireerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerespireerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerespireerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerespireerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerespireerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerespireerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerespireerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerespireerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerespireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerespireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerespireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerespireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerespireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerespireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerespireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerespireerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerespireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| respireer | gebiedende wijs |
| respireerde | verleden tijd |
| respirere | aanvoegende wijs |
| respirerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerespireerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te respireren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen respireren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerespireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt respireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen respireren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerespireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult respireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van het Franse respirer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van respireren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerespireerd | voltooid deelwoord | respireren |
| gerespireerde | woordvorm | respireren |
| respireer | gebiedende wijs | respireren |
| respireerde | verleden tijd | respireren |
| respireerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | respireren |
| respireert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | respireren |
| respirere | aanvoegende wijs | respireren |
| respirerend | onvoltooid deelwoord | respireren |
| respirerende | woordvorm | respireren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van respireren zijn vastgelegd.