Naar de inhoud

repareren

iets weer in werkende staat brengen

repareren

werkwoord

Betekenis

  1. iets weer in werkende staat brengen

Vervoeging van repareren

reparerenhele werkwoord — repareerdeverleden tijd enkelvoud — repareerdenverleden tijd meervoud — gerepareerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik repareer repareerde
jij repareert repareerde
hij, zij, het repareert repareerde
wij repareren repareerden
jullie repareren repareerden
zij repareren repareerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gerepareerd verleden tijd, deelwoord
gerepareerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerepareerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerepareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerepareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerepareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerepareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerepareerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
repareer gebiedende wijs
repareerde verleden tijd
reparere aanvoegende wijs
reparerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerepareerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te repareren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen repareren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt repareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen repareren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult repareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘herstellen’ voor het eerst aangetroffen in 1520

Woordfamilie van repareren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerepareerd voltooid deelwoord repareren
gerepareerde woordvorm repareren
repareer gebiedende wijs repareren
repareerde verleden tijd repareren
repareerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon repareren
repareert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon repareren
reparere aanvoegende wijs repareren
reparerend onvoltooid deelwoord repareren
reparerende woordvorm repareren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van repareren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over repareren

Wat betekent repareren?
Repareren is een werkwoord. Het woord betekent: iets weer in werkende staat brengen.
Hoe vervoeg je repareren?
Je vervoegt repareren als volgt: de tegenwoordige tijd is repareer, de verleden tijd is repareerde en het voltooid deelwoord is gerepareerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord repareren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. P 3
  4. A 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

repareren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. P 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

repareren in het kort

repareren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van repareren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort repareren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

repareren: iets weer in werkende staat brengen
Deel repareren — standaardnederlands.nl