relateren
werkwoordBetekenis
- iets of iemand in verband brengen met iets of iemand anders, gecorreleerd
Vervoeging van relateren
relaterenhele werkwoord — relateerdeverleden tijd enkelvoud — relateerdenverleden tijd meervoud — gerelateerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | relateer | relateerde |
| jij | relateert | relateerde |
| hij, zij, het | relateert | relateerde |
| wij | relateren | relateerden |
| jullie | relateren | relateerden |
| zij | relateren | relateerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gerelateerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerelateerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerelateerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerelateerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerelateerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerelateerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerelateerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerelateerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerelateerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerelateerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerelateerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerelateerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerelateerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerelateerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerelateerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerelateerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerelateerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerelateerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerelateerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerelateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerelateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerelateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerelateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerelateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerelateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerelateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerelateerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| relateer | gebiedende wijs |
| relateerde | verleden tijd |
| relatere | aanvoegende wijs |
| relaterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerelateerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te relateren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen relateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerelateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerelateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerelateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerelateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerelateerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerelateerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerelateerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gerelateerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerelateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerelateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerelateerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerelateerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerelateerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt relateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerelateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerelateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerelateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen relateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerelateerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerelateerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerelateerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult relateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in verband brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1510
Woordfamilie van relateren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerelateerd | voltooid deelwoord | relateren |
| gerelateerde | woordvorm | relateren |
| relateer | gebiedende wijs | relateren |
| relateerde | verleden tijd | relateren |
| relateerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | relateren |
| relateert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | relateren |
| relatere | aanvoegende wijs | relateren |
| relaterend | onvoltooid deelwoord | relateren |
| relaterende | woordvorm | relateren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van relateren zijn vastgelegd.