reikhalzen
werkwoordBetekenis
- de hals uitrekken om goed te zien
- vurig begeren of verlangen
Vervoeging van reikhalzen
reikhalzenhele werkwoord — reikhalsdeverleden tijd enkelvoud — reikhalsdenverleden tijd meervoud — gereikhalsdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reikhals | reikhalsde |
| jij | reikhalst | reikhalsde |
| hij, zij, het | reikhalst | reikhalsde |
| wij | reikhalzen | reikhalsden |
| jullie | reikhalzen | reikhalsden |
| zij | reikhalzen | reikhalsden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gereikhalsd | verleden tijd, deelwoord |
| gereikhalsd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereikhalsd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereikhalsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereikhalsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereikhalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reikhals | gebiedende wijs |
| reikhalsde | verleden tijd |
| reikhalze | aanvoegende wijs |
| reikhalzend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gereikhalsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te reikhalzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen reikhalzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gereikhalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen reikhalzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gereikhalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult reikhalzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vurig verlangen’ voor het eerst aangetroffen in 1701
Woordfamilie van reikhalzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereikhalsd | voltooid deelwoord | reikhalzen |
| reikhals | gebiedende wijs | reikhalzen |
| reikhalsde | verleden tijd | reikhalzen |
| reikhalsden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | reikhalzen |
| reikhalst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | reikhalzen |
| reikhalze | aanvoegende wijs | reikhalzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reikhalzen zijn vastgelegd.