receptuur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- voorschrift hoe je iets moet maken of bereiden
- de leer hoe men medicijnen moet voorschrijven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| recepturen | meervoud |
| receptuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| receptuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘leer van het voorschrijven van medicijnen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van receptuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| recepturen | meervoud | receptuur |
| receptuurtje | verkleinwoord | receptuur |
| receptuurtjes | verkleinwoord meervoud | receptuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van receptuur zijn vastgelegd.