recapituleren
werkwoordBetekenis
- de belangrijkste punten samenvatten
Vervoeging van recapituleren
recapitulerenhele werkwoord — recapituleerdeverleden tijd enkelvoud — recapituleerdenverleden tijd meervoud — gerecapituleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | recapituleer | recapituleerde |
| jij | recapituleert | recapituleerde |
| hij, zij, het | recapituleert | recapituleerde |
| wij | recapituleren | recapituleerden |
| jullie | recapituleren | recapituleerden |
| zij | recapituleren | recapituleerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gerecapituleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerecapituleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerecapituleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerecapituleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerecapituleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerecapituleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerecapituleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerecapituleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerecapituleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerecapituleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerecapituleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerecapituleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerecapituleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerecapituleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerecapituleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerecapituleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerecapituleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerecapituleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerecapituleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerecapituleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| recapituleer | gebiedende wijs |
| recapituleerde | verleden tijd |
| recapitulere | aanvoegende wijs |
| recapitulerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerecapituleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te recapituleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen recapituleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerecapituleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerecapituleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gerecapituleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gerecapituleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerecapituleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerecapituleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerecapituleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerecapituleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerecapituleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerecapituleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerecapituleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerecapituleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerecapituleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerecapituleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerecapituleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen recapituleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerecapituleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult recapituleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘samenvattend herhalen’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van recapituleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerecapituleerd | voltooid deelwoord | recapituleren |
| gerecapituleerde | woordvorm | recapituleren |
| recapituleer | gebiedende wijs | recapituleren |
| recapituleerde | verleden tijd | recapituleren |
| recapituleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | recapituleren |
| recapituleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | recapituleren |
| recapitulere | aanvoegende wijs | recapituleren |
| recapitulerend | onvoltooid deelwoord | recapituleren |
| recapitulerende | woordvorm | recapituleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van recapituleren zijn vastgelegd.