rebelleren
werkwoordBetekenis
- ~ tegen tegen het heersende gezag in opstand komen
- overdrachtelijk ~ tegen zich persoonlijk afzetten tegen het ouderlijk -of ander- gezag
werkwoord
- ~ tegen zich persoonlijk afzetten tegen het ouderlijk -of ander- gezag figuratively, unergative
Vervoeging van rebelleren
rebellerenhele werkwoord — rebelleerdeverleden tijd enkelvoud — rebelleerdenverleden tijd meervoud — gerebelleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rebelleer | rebelleerde |
| jij | rebelleert | rebelleerde |
| hij, zij, het | rebelleert | rebelleerde |
| wij | rebelleren | rebelleerden |
| jullie | rebelleren | rebelleerden |
| zij | rebelleren | rebelleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerebelleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerebelleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerebelleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerebelleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerebelleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerebelleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerebelleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerebelleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerebelleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerebelleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerebelleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerebelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerebelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerebelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rebelleer | gebiedende wijs |
| rebelleerde | verleden tijd |
| rebellere | aanvoegende wijs |
| rebellerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerebelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rebelleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rebelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerebelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rebelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerebelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rebelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse rebeller (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van rebelleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerebelleerd | voltooid deelwoord | rebelleren |
| rebelleer | gebiedende wijs | rebelleren |
| rebelleerde | verleden tijd | rebelleren |
| rebelleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rebelleren |
| rebelleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rebelleren |
| rebellere | aanvoegende wijs | rebelleren |
| rebellerend | onvoltooid deelwoord | rebelleren |
| rebellerende | woordvorm | rebelleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rebelleren zijn vastgelegd.