ravitailleren
werkwoordBetekenis
- van levensmiddelen voorzien
Vervoeging van ravitailleren
ravitaillerenhele werkwoord — ravitailleerdeverleden tijd enkelvoud — ravitailleerdenverleden tijd meervoud — geravitailleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ravitailleer | ravitailleerde |
| jij | ravitailleert | ravitailleerde |
| hij, zij, het | ravitailleert | ravitailleerde |
| wij | ravitailleren | ravitailleerden |
| jullie | ravitailleren | ravitailleerden |
| zij | ravitailleren | ravitailleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geravitailleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geravitailleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geravitailleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geravitailleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geravitailleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geravitailleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geravitailleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geravitailleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geravitailleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geravitailleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geravitailleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geravitailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geravitailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geravitailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ravitailleer | gebiedende wijs |
| ravitailleerde | verleden tijd |
| ravitaillere | aanvoegende wijs |
| ravitaillerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geravitailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ravitailleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ravitailleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geravitailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ravitailleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geravitailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ravitailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevoorraden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1862
Woordfamilie van ravitailleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geravitailleerd | voltooid deelwoord | ravitailleren |
| geravitailleerde | woordvorm | ravitailleren |
| ravitailleer | gebiedende wijs | ravitailleren |
| ravitailleerde | verleden tijd | ravitailleren |
| ravitailleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ravitailleren |
| ravitailleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ravitailleren |
| ravitaillere | aanvoegende wijs | ravitailleren |
| ravitaillerend | onvoltooid deelwoord | ravitailleren |
| ravitaillerende | woordvorm | ravitailleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ravitailleren zijn vastgelegd.