raster
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een netwerk van kruisende lijnen
- vlechtwerk van latten of gevlochten ijzerdraad
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rasters | meervoud |
| rastertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rastertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rasteren
- gebiedende wijs van rasteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rasteren
Vervoeging van raster
rasterhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘netwerk van kruisende lijnen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1919
Woordfamilie van raster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rasters | meervoud | raster |
| rastertje | verkleinwoord | raster |
| rastertjes | verkleinwoord meervoud | raster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van raster zijn vastgelegd.