rakelen
werkwoordBetekenis
- door het vuur heen en weer poken
werkwoord
- harken
Vervoeging van rakelen
rakelenhele werkwoord — rakeldeverleden tijd enkelvoud — rakeldenverleden tijd meervoud — gerakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rakel | rakelde |
| jij | rakelt | rakelde |
| hij, zij, het | rakelt | rakelde |
| wij | rakelen | rakelden |
| jullie | rakelen | rakelden |
| zij | rakelen | rakelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerakeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerakeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerakeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerakeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerakeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerakeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerakeld | verleden tijd, deelwoord |
| gerakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rakel | gebiedende wijs |
| rakelde | verleden tijd |
| rakele | aanvoegende wijs |
| rakelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rakelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rakelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘harken’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Woordfamilie van rakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerakeld | voltooid deelwoord | rakelen |
| rakelde | verleden tijd | rakelen |
| rakelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rakelen |
| rakele | aanvoegende wijs | rakelen |
| rakelend | onvoltooid deelwoord | rakelen |
| rakelende | woordvorm | rakelen |
| rakelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rakelen zijn vastgelegd.