railleren
werkwoordBetekenis
- schertsen
werkwoord
- schertsen, als grap opmerken unergative
- spotten, met een grap belachelijk maken unergative
Vervoeging van railleren
raillerenhele werkwoord — railleerdeverleden tijd enkelvoud — railleerdenverleden tijd meervoud — gerailleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | railleer | railleerde |
| jij | railleert | railleerde |
| hij, zij, het | railleert | railleerde |
| wij | railleren | railleerden |
| jullie | railleren | railleerden |
| zij | railleren | railleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerailleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerailleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerailleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| railleer | gebiedende wijs |
| railleerde | verleden tijd |
| raillere | aanvoegende wijs |
| raillerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te railleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen railleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt railleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen railleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult railleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse railler met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van railleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerailleerd | voltooid deelwoord | railleren |
| railleer | gebiedende wijs | railleren |
| railleerde | verleden tijd | railleren |
| railleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | railleren |
| railleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | railleren |
| raillere | aanvoegende wijs | railleren |
| raillerend | onvoltooid deelwoord | railleren |
| raillerende | woordvorm | railleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van railleren zijn vastgelegd.