Naar de inhoud

raffelen

vlug spreken

raffelen

werkwoord

Betekenis

  1. vlug spreken

Vervoeging van raffelen

raffelenhele werkwoord — raffeldeverleden tijd enkelvoud — raffeldenverleden tijd meervoud — geraffeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik raffel raffelde
jij raffelt raffelde
hij, zij, het raffelt raffelde
wij raffelen raffelden
jullie raffelen raffelden
zij raffelen raffelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geraffeld verleden tijd, deelwoord
geraffeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geraffeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geraffeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geraffeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geraffeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geraffeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geraffeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geraffeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geraffeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geraffeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geraffeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
raffel gebiedende wijs
raffelde verleden tijd
raffele aanvoegende wijs
raffelend onvoltooid, deelwoord
te hebben geraffeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te raffelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen raffelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geraffeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt raffelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen raffelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geraffeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult raffelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘vlug spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1672

Woordfamilie van raffelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geraffeld voltooid deelwoord raffelen
raffel gebiedende wijs raffelen
raffelde verleden tijd raffelen
raffelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon raffelen
raffele aanvoegende wijs raffelen
raffelend onvoltooid deelwoord raffelen
raffelende woordvorm raffelen
raffelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon raffelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van raffelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over raffelen

Wat is de betekenis van raffelen?
Raffelen is een werkwoord. De betekenis is: vlug spreken.
Hoe vervoeg ik raffelen?
Zo vervoeg je raffelen zo: de tegenwoordige tijd is raffel, de verleden tijd is raffelde en het voltooid deelwoord is geraffeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord raffelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. A 1
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

raffelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. A 1
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

raffelen in het kort

raffelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van raffelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort raffelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

raffelen: vlug spreken
Deel raffelen — standaardnederlands.nl