radicaliseren
werkwoordBetekenis
- radicaal of radicaler worden
werkwoord
- in bepaalde (veelal extremistische) opvattingen radicaal of radicaler worden intransitive
Vervoeging van radicaliseren
radicaliserenhele werkwoord — radicaliseerdeverleden tijd enkelvoud — radicaliseerdenverleden tijd meervoud — geradicaliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | radicaliseer | radicaliseerde |
| jij | radicaliseert | radicaliseerde |
| hij, zij, het | radicaliseert | radicaliseerde |
| wij | radicaliseren | radicaliseerden |
| jullie | radicaliseren | radicaliseerden |
| zij | radicaliseren | radicaliseerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geradicaliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geradicaliseerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geradicaliseerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| radicaliseer | gebiedende wijs |
| radicaliseerde | verleden tijd |
| radicalisere | aanvoegende wijs |
| radicaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| te radicaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geradicaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen radicaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geradicaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geradicaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geradicaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geradicaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen radicaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geradicaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult radicaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van Frans radicaliser met het achtervoegsel -iseren
Woordfamilie van radicaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geradicaliseerd | voltooid deelwoord | radicaliseren |
| radicaliseer | gebiedende wijs | radicaliseren |
| radicaliseerde | verleden tijd | radicaliseren |
| radicaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | radicaliseren |
| radicaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | radicaliseren |
| radicalisere | aanvoegende wijs | radicaliseren |
| radicaliserend | onvoltooid deelwoord | radicaliseren |
| radicaliserende | woordvorm | radicaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van radicaliseren zijn vastgelegd.