quotiseren
werkwoordBetekenis
- verdelen naar evenredigheid of verhouding
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van quotiseren
quotiserenhele werkwoord — quotiseerdeverleden tijd enkelvoud — quotiseerdenverleden tijd meervoud — gequotiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | quotiseer | quotiseerde |
| jij | quotiseert | quotiseerde |
| hij, zij, het | quotiseert | quotiseerde |
| wij | quotiseren | quotiseerden |
| jullie | quotiseren | quotiseerden |
| zij | quotiseren | quotiseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gequotiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gequotiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gequotiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gequotiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gequotiseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gequotiseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gequotiseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gequotiseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gequotiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gequotiseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gequotiseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gequotiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gequotiseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gequotiseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gequotiseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gequotiseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gequotiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gequotiseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gequotiseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gequotiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| quotiseer | gebiedende wijs |
| quotiseerde | verleden tijd |
| quotisere | aanvoegende wijs |
| quotiserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gequotiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te quotiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen quotiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gequotiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gequotiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gequotiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gequotiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gequotiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gequotiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gequotiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gequotiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gequotiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gequotiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen quotiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gequotiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gequotiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gequotiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult quotiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Van het Franse quotiser, van middeleeuws latijn quotisare
Woordfamilie van quotiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gequotiseerd | voltooid deelwoord | quotiseren |
| gequotiseerde | woordvorm | quotiseren |
| quotiseer | gebiedende wijs | quotiseren |
| quotiseerde | verleden tijd | quotiseren |
| quotiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | quotiseren |
| quotiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | quotiseren |
| quotisere | aanvoegende wijs | quotiseren |
| quotiserend | onvoltooid deelwoord | quotiseren |
| quotiserende | woordvorm | quotiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van quotiseren zijn vastgelegd.