puts
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pɵts/Betekenis
- een emmer aan een touw die men overboord gooit om wat water te scheppen, gewoonlijk om het dek van een schip schoon te maken
- een fikse hoeveelheid, meest van water
Hoe spreek je puts uit?
/pɵts/
Puts bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɵ | put |
| t | tak |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| putsen | meervoud |
| putsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| putsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van putsen
- gebiedende wijs van putsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van putsen
Vervoeging van puts
putshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘scheepsemmer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445
Woordfamilie van puts
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| putsje | verkleinwoord | puts |
| putsjes | verkleinwoord meervoud | puts |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puts zijn vastgelegd.