puddelen
werkwoordBetekenis
- het vloeibare ijzer in de oven met lange stangen (puddels) omroeren waarbij de koolstof zich geleidelijk bindt met zuurstof en dus uit het ijzer verdwijnt
Vervoeging van puddelen
puddelenhele werkwoord — puddeldeverleden tijd enkelvoud — puddeldenverleden tijd meervoud — gepuddeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | puddel | puddelde |
| jij | puddelt | puddelde |
| hij, zij, het | puddelt | puddelde |
| wij | puddelen | puddelden |
| jullie | puddelen | puddelden |
| zij | puddelen | puddelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepuddeld | verleden tijd, deelwoord |
| gepuddeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepuddeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepuddeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepuddeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepuddeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepuddeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepuddeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepuddeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepuddeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepuddeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepuddeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| puddel | gebiedende wijs |
| puddelde | verleden tijd |
| puddele | aanvoegende wijs |
| puddelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepuddeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te puddelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen puddelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepuddeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen puddelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepuddeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult puddelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van het Engelse 'to puddle' (indopen)
Woordfamilie van puddelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepuddeld | voltooid deelwoord | puddelen |
| puddel | gebiedende wijs | puddelen |
| puddelde | verleden tijd | puddelen |
| puddelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | puddelen |
| puddele | aanvoegende wijs | puddelen |
| puddelend | onvoltooid deelwoord | puddelen |
| puddelende | woordvorm | puddelen |
| puddelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | puddelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puddelen zijn vastgelegd.