prononceren
werkwoordBetekenis
- uitspreken
Vervoeging van prononceren
prononcerenhele werkwoord — prononceerdeverleden tijd enkelvoud — prononceerdenverleden tijd meervoud — geprononceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prononceer | prononceerde |
| jij | prononceert | prononceerde |
| hij, zij, het | prononceert | prononceerde |
| wij | prononceren | prononceerden |
| jullie | prononceren | prononceerden |
| zij | prononceren | prononceerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geprononceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprononceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprononceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprononceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprononceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprononceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprononceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprononceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprononceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprononceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprononceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprononceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prononceer | gebiedende wijs |
| prononceerde | verleden tijd |
| prononcere | aanvoegende wijs |
| prononcerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprononceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prononceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prononceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprononceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prononceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprononceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prononceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse prononcer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van prononceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prononceer | gebiedende wijs | prononceren |
| prononceerde | verleden tijd | prononceren |
| prononceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prononceren |
| prononceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prononceren |
| prononcere | aanvoegende wijs | prononceren |
| prononcerend | onvoltooid deelwoord | prononceren |
| prononcerende | woordvorm | prononceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prononceren zijn vastgelegd.