Naar de inhoud

prononceren

uitspreken

prononceren

werkwoord

Betekenis

  1. uitspreken

Vervoeging van prononceren

prononcerenhele werkwoord — prononceerdeverleden tijd enkelvoud — prononceerdenverleden tijd meervoud — geprononceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik prononceer prononceerde
jij prononceert prononceerde
hij, zij, het prononceert prononceerde
wij prononceren prononceerden
jullie prononceren prononceerden
zij prononceren prononceerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geprononceerd verleden tijd, deelwoord
geprononceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprononceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprononceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprononceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprononceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprononceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprononceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprononceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprononceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprononceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprononceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
prononceer gebiedende wijs
prononceerde verleden tijd
prononcere aanvoegende wijs
prononcerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprononceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te prononceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen prononceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprononceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt prononceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen prononceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprononceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult prononceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse prononcer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van prononceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
prononceer gebiedende wijs prononceren
prononceerde verleden tijd prononceren
prononceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon prononceren
prononceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon prononceren
prononcere aanvoegende wijs prononceren
prononcerend onvoltooid deelwoord prononceren
prononcerende woordvorm prononceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prononceren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over prononceren

Wat is de betekenis van prononceren?
Prononceren is een werkwoord. De betekenis is: uitspreken.
Hoe vervoeg ik prononceren?
Zo vervoeg je prononceren zo: de tegenwoordige tijd is prononceer, de verleden tijd is prononceerde en het voltooid deelwoord is geprononceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord prononceren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. N 1
  5. O 1
  6. N 1
  7. C 5
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

prononceren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. O 1
  4. N 1
  5. O 1
  6. N 1
  7. C 5
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

prononceren in het kort

prononceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van prononceren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort prononceren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

prononceren: uitspreken
Deel prononceren — standaardnederlands.nl