Naar de inhoud

projecteren

optisch reproduceren op een scherm (d.m.v. een projector)

projecteren

werkwoord

Betekenis

  1. optisch reproduceren op een scherm (d.m.v. een projector)
  2. een al of niet ruimtelijke figuur volgens bepaalde regels afbeelden op een plat vlak
  3. eigen gevoelens, gedachten toeschrijven aan anderen
  4. ontwerpen

Vervoeging van projecteren

projecterenhele werkwoord — projecteerdeverleden tijd enkelvoud — projecteerdenverleden tijd meervoud — geprojecteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik projecteer projecteerde
jij projecteert projecteerde
hij, zij, het projecteert projecteerde
wij projecteren projecteerden
jullie projecteren projecteerden
zij projecteren projecteerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geprojecteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprojecteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprojecteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprojecteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprojecteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprojecteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprojecteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprojecteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprojecteerd verleden tijd, deelwoord
geprojecteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprojecteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprojecteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprojecteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprojecteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprojecteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprojecteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprojecteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprojecteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprojecteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprojecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprojecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprojecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprojecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprojecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprojecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprojecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprojecteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
projecteer gebiedende wijs
projecteerde verleden tijd
projectere aanvoegende wijs
projecterend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprojecteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te projecteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen projecteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geprojecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprojecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geprojecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprojecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geprojecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geprojecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geprojecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geprojecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geprojecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprojecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geprojecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprojecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprojecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt projecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprojecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprojecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprojecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen projecteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprojecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprojecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprojecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult projecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ontwerpen, bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1650

Woordfamilie van projecteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprojecteerd voltooid deelwoord projecteren
geprojecteerde woordvorm projecteren
projecteer gebiedende wijs projecteren
projecteerde verleden tijd projecteren
projecteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon projecteren
projecteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon projecteren
projectere aanvoegende wijs projecteren
projecterend onvoltooid deelwoord projecteren
projecterende woordvorm projecteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van projecteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over projecteren

Wat betekent projecteren?
Projecteren is een werkwoord. Het woord betekent: optisch reproduceren op een scherm (d.m.v. een projector). Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je projecteren?
Je vervoegt projecteren als volgt: de tegenwoordige tijd is projecteer, de verleden tijd is projecteerde en het voltooid deelwoord is geprojecteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord projecteren is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. J 4
  5. E 1
  6. C 5
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

projecteren levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. O 1
  4. J 4
  5. E 1
  6. C 5
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

projecteren in het kort

projecteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van projecteren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort projecteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

projecteren: optisch reproduceren op een scherm (d.m.v. een projector)
Deel projecteren — standaardnederlands.nl