projecteren
werkwoordBetekenis
- optisch reproduceren op een scherm (d.m.v. een projector)
- een al of niet ruimtelijke figuur volgens bepaalde regels afbeelden op een plat vlak
- eigen gevoelens, gedachten toeschrijven aan anderen
- ontwerpen
Vervoeging van projecteren
projecterenhele werkwoord — projecteerdeverleden tijd enkelvoud — projecteerdenverleden tijd meervoud — geprojecteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | projecteer | projecteerde |
| jij | projecteert | projecteerde |
| hij, zij, het | projecteert | projecteerde |
| wij | projecteren | projecteerden |
| jullie | projecteren | projecteerden |
| zij | projecteren | projecteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geprojecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprojecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprojecteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprojecteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprojecteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprojecteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprojecteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprojecteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprojecteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprojecteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprojecteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprojecteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprojecteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprojecteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprojecteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprojecteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprojecteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprojecteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprojecteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprojecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| projecteer | gebiedende wijs |
| projecteerde | verleden tijd |
| projectere | aanvoegende wijs |
| projecterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprojecteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te projecteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen projecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geprojecteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geprojecteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geprojecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprojecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geprojecteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprojecteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprojecteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprojecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprojecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprojecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen projecteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprojecteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprojecteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprojecteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult projecteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ontwerpen, bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van projecteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprojecteerd | voltooid deelwoord | projecteren |
| geprojecteerde | woordvorm | projecteren |
| projecteer | gebiedende wijs | projecteren |
| projecteerde | verleden tijd | projecteren |
| projecteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | projecteren |
| projecteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | projecteren |
| projectere | aanvoegende wijs | projecteren |
| projecterend | onvoltooid deelwoord | projecteren |
| projecterende | woordvorm | projecteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van projecteren zijn vastgelegd.