procederen
werkwoordBetekenis
- een rechtsstrijd voeren
Vervoeging van procederen
procederenhele werkwoord — procedeerdeverleden tijd enkelvoud — procedeerdenverleden tijd meervoud — geprocedeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | procedeer | procedeerde |
| jij | procedeert | procedeerde |
| hij, zij, het | procedeert | procedeerde |
| wij | procederen | procedeerden |
| jullie | procederen | procedeerden |
| zij | procederen | procedeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geprocedeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprocedeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprocedeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprocedeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprocedeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprocedeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprocedeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprocedeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprocedeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprocedeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprocedeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprocedeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprocedeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprocedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| procedeer | gebiedende wijs |
| procedeerde | verleden tijd |
| procedere | aanvoegende wijs |
| procederend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprocedeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te procederen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen procederen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprocedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt procederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen procederen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprocedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult procederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘handelen tegen, een proces voeren’ voor het eerst aangetroffen in 1453
Woordfamilie van procederen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprocedeerd | voltooid deelwoord | procederen |
| procedeer | gebiedende wijs | procederen |
| procedeerde | verleden tijd | procederen |
| procedeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | procederen |
| procedeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | procederen |
| procedere | aanvoegende wijs | procederen |
| procederend | onvoltooid deelwoord | procederen |
| procederende | woordvorm | procederen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van procederen zijn vastgelegd.