prieel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- overkapping in een tuin of park met open wanden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prieeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prieeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| priëlen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘begroeid zitje’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van prieel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prieeltje | verkleinwoord | prieel |
| prieeltjes | verkleinwoord meervoud | prieel |
| priëlen | meervoud | prieel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prieel zijn vastgelegd.