berceau
zelfstandig naamwoord bɛrˈsoBetekenis
- loofgang, een pad waarbij aan beide zijden heggen staan, die aan de bovenzijde met elkaar zijn verbonden, zodat een soort tunnel ontstaat
- prieel
- halfcylindervormig werktuig, waarmee een gepolijste koperen plaat ruw gemaakt wordt
- wieg
- geboorteplaats
- loofgang
- wiegvormige boog
Hoe spreek je berceau uit?
/bɛrˈso/
Berceau bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| s | sok |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- pad met aan beide zijden bomen of struiken die aan de bovenzijde met elkaar zijn verbonden, zodat een soort tunnel ontstaat
- rustplaats in tuin of park, met open wanden en een overkapping bestaand uit een latwerk begroeid met klimplanten
- soort beitel met een opstaande halfronde getande rand, waarmee een gepolijste koperen plaat ruw gemaakt wordt bij het vervaardigen van een mezzotint
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| berceaus | meervoud |
Herkomst
van Frans berceau "wieg, gewelf, loofgang", aangetroffen vanaf 1824
Woordfamilie van berceau
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| berceaus | meervoud | berceau |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van berceau zijn vastgelegd.