prevaleren
werkwoordBetekenis
- de overhand hebben, overwicht hebben, voorrang hebben
Vervoeging van prevaleren
prevalerenhele werkwoord — prevaleerdeverleden tijd enkelvoud — prevaleerdenverleden tijd meervoud — geprevaleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prevaleer | prevaleerde |
| jij | prevaleert | prevaleerde |
| hij, zij, het | prevaleert | prevaleerde |
| wij | prevaleren | prevaleerden |
| jullie | prevaleren | prevaleerden |
| zij | prevaleren | prevaleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geprevaleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprevaleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprevaleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprevaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprevaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprevaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prevaleer | gebiedende wijs |
| prevaleerde | verleden tijd |
| prevalere | aanvoegende wijs |
| prevalerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprevaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prevaleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prevaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprevaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prevaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprevaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prevaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘overwicht hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1540
Woordfamilie van prevaleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprevaleerd | voltooid deelwoord | prevaleren |
| prevaleer | gebiedende wijs | prevaleren |
| prevaleerde | verleden tijd | prevaleren |
| prevaleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prevaleren |
| prevaleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prevaleren |
| prevalere | aanvoegende wijs | prevaleren |
| prevalerend | onvoltooid deelwoord | prevaleren |
| prevalerende | woordvorm | prevaleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prevaleren zijn vastgelegd.