presideren
werkwoordBetekenis
- het beoefenen van de functie van voorzitter
Vervoeging van presideren
presiderenhele werkwoord — presideerdeverleden tijd enkelvoud — presideerdenverleden tijd meervoud — gepresideerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | presideer | presideerde |
| jij | presideert | presideerde |
| hij, zij, het | presideert | presideerde |
| wij | presideren | presideerden |
| jullie | presideren | presideerden |
| zij | presideren | presideerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepresideerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepresideerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepresideerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepresideerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepresideerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepresideerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepresideerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepresideerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepresideerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepresideerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepresideerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepresideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepresideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepresideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepresideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepresideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepresideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepresideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepresideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepresideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| presideer | gebiedende wijs |
| presideerde | verleden tijd |
| presidere | aanvoegende wijs |
| presiderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepresideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te presideren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen presideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepresideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt presideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen presideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepresideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult presideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse présider (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van presideren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepresideerd | voltooid deelwoord | presideren |
| gepresideerde | woordvorm | presideren |
| presideer | gebiedende wijs | presideren |
| presideerde | verleden tijd | presideren |
| presideerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | presideren |
| presideert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | presideren |
| presidere | aanvoegende wijs | presideren |
| presiderend | onvoltooid deelwoord | presideren |
| presiderende | woordvorm | presideren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van presideren zijn vastgelegd.