preluderen
werkwoordBetekenis
- zinspelen op wat komen gaat, vooruitlopen
- als inleiding (improviserend) spelen, inleiden, een begin maken
Vervoeging van preluderen
preluderenhele werkwoord — preludeerdeverleden tijd enkelvoud — preludeerdenverleden tijd meervoud — gepreludeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | preludeer | preludeerde |
| jij | preludeert | preludeerde |
| hij, zij, het | preludeert | preludeerde |
| wij | preluderen | preludeerden |
| jullie | preluderen | preludeerden |
| zij | preluderen | preludeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepreludeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepreludeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepreludeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepreludeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepreludeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepreludeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| preludeer | gebiedende wijs |
| preludeerde | verleden tijd |
| preludere | aanvoegende wijs |
| preluderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepreludeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te preluderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen preluderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepreludeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen preluderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepreludeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult preluderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inleidend spelen, zinspelen’ voor het eerst aangetroffen in 1805
Woordfamilie van preluderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepreludeerd | voltooid deelwoord | preluderen |
| preludeer | gebiedende wijs | preluderen |
| preludeerde | verleden tijd | preluderen |
| preludeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | preluderen |
| preludeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | preluderen |
| preludere | aanvoegende wijs | preluderen |
| preluderend | onvoltooid deelwoord | preluderen |
| preluderende | woordvorm | preluderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van preluderen zijn vastgelegd.