predisponeren
werkwoordBetekenis
- voorbestemmen, ontvankelijk of geschikt maken tot
Vervoeging van predisponeren
predisponerenhele werkwoord — predisponeerdeverleden tijd enkelvoud — predisponeerdenverleden tijd meervoud — gepredisponeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | predisponeer | predisponeerde |
| jij | predisponeert | predisponeerde |
| hij, zij, het | predisponeert | predisponeerde |
| wij | predisponeren | predisponeerden |
| jullie | predisponeren | predisponeerden |
| zij | predisponeren | predisponeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepredisponeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepredisponeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepredisponeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepredisponeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepredisponeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepredisponeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepredisponeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepredisponeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepredisponeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepredisponeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepredisponeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepredisponeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepredisponeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepredisponeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepredisponeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepredisponeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepredisponeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepredisponeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepredisponeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepredisponeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| predisponeer | gebiedende wijs |
| predisponeerde | verleden tijd |
| predisponere | aanvoegende wijs |
| predisponerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepredisponeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te predisponeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen predisponeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepredisponeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepredisponeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepredisponeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepredisponeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepredisponeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepredisponeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepredisponeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepredisponeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepredisponeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepredisponeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen predisponeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepredisponeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepredisponeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepredisponeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult predisponeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voorbestemmen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
Woordfamilie van predisponeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| predisponeer | gebiedende wijs | predisponeren |
| predisponeerde | verleden tijd | predisponeren |
| predisponeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | predisponeren |
| predisponeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | predisponeren |
| predisponere | aanvoegende wijs | predisponeren |
| predisponerend | onvoltooid deelwoord | predisponeren |
| predisponerende | woordvorm | predisponeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van predisponeren zijn vastgelegd.