portiek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- (gemeenschappelijke) woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn, dat via een trap, of rechtstreeks, toegang geeft tot een of meerdere huisdeuren
- open overdekte zuilengang of galerij voor of op zij van een gebouw, zuilengalerij
zelfstandig naamwoord
- woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn, dat via een trap, of rechtstreeks, toegang geeft tot een of meerdere huisdeuren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| portieken | meervoud |
| portiekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| portiekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘open portaal’ voor het eerst aangetroffen in 1696
Woordfamilie van portiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| portieken | meervoud | portiek |
| portiekje | verkleinwoord | portiek |
| portiekjes | verkleinwoord meervoud | portiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van portiek zijn vastgelegd.