pommaderen
werkwoordBetekenis
- het aanbrengen van een vettige substantie, de pommade, op het haar om het op zijn plaats te houden
Vervoeging van pommaderen
pommaderenhele werkwoord — pommadeerdeverleden tijd enkelvoud — pommadeerdenverleden tijd meervoud — gepommadeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pommadeer | pommadeerde |
| jij | pommadeert | pommadeerde |
| hij, zij, het | pommadeert | pommadeerde |
| wij | pommaderen | pommadeerden |
| jullie | pommaderen | pommadeerden |
| zij | pommaderen | pommadeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepommadeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepommadeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepommadeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepommadeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepommadeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepommadeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pommadeer | gebiedende wijs |
| pommadeerde | verleden tijd |
| pommadere | aanvoegende wijs |
| pommaderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepommadeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pommaderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pommaderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepommadeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pommaderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepommadeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pommaderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse pommader (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van pommaderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepommadeerd | voltooid deelwoord | pommaderen |
| gepommadeerde | woordvorm | pommaderen |
| pommadeer | gebiedende wijs | pommaderen |
| pommadeerde | verleden tijd | pommaderen |
| pommadeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pommaderen |
| pommadeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pommaderen |
| pommadere | aanvoegende wijs | pommaderen |
| pommaderend | onvoltooid deelwoord | pommaderen |
| pommaderende | woordvorm | pommaderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pommaderen zijn vastgelegd.