pols
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het gewricht tussen onderarm en hand
- een klopping in de polsslagader, polsslag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| polsen | meervoud |
| polsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| polsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polsen
- gebiedende wijs van polsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polsen
Vervoeging van pols
polshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘handgewricht’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van pols
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| polsje | verkleinwoord | pols |
| polsjes | verkleinwoord meervoud | pols |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pols zijn vastgelegd.