Naar de inhoud

polijsten

een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen

polijsten

werkwoord /poˈlɛɪstə(n)/

Betekenis

  1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
  2. het verwijderen van de buitenste lagen van de rijstkorrel om de zetmeelkern bloot te leggen voor de productie van rijstwijn
  3. overdrachtelijk: kleine veranderingen aanbrengen in een document om het beter leesbaar of aantrekkelijker te maken

Hoe spreek je polijsten uit?

/poˈlɛistən/

Polijsten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /poˈlɛistən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
o boot
l land
ɛi trein
s sok
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van polijsten

polijstenhele werkwoord — polijstteverleden tijd enkelvoud — polijsttenverleden tijd meervoud — gepolijstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik polijst polijstte
jij polijst polijstte
hij, zij, het polijst polijstte
wij polijsten polijstten
jullie polijsten polijstten
zij polijsten polijstten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gepolijst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepolijst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepolijst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepolijst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepolijst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepolijst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepolijst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepolijst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepolijst verleden tijd, deelwoord
gepolijst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepolijst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepolijst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepolijst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepolijst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepolijst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepolijst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepolijst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepolijst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepolijst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepolijst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepolijst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepolijst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepolijst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepolijst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepolijst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepolijst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepolijst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
polijst gebiedende wijs
polijste aanvoegende wijs
polijstend onvoltooid, deelwoord
polijstte verleden tijd
te hebben gepolijst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te polijsten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen polijsten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gepolijst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepolijst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gepolijst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepolijst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gepolijst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gepolijst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gepolijst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gepolijst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gepolijst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gepolijst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gepolijst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gepolijst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gepolijst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gepolijst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gepolijst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepolijst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gepolijst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepolijst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepolijst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt polijsten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepolijst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepolijst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepolijst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen polijsten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepolijst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepolijst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepolijst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult polijsten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘glad maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1554

Woordfamilie van polijsten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
polijst gebiedende wijs polijsten
polijste aanvoegende wijs polijsten
polijstend onvoltooid deelwoord polijsten
polijstende woordvorm polijsten
polijstte verleden tijd polijsten
polijstten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon polijsten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van polijsten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over polijsten

Hoe spreek ik polijsten uit?
Zo spreek je polijsten uit: /poˈlɛɪstə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van polijsten?
Polijsten is een werkwoord. De betekenis is: een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik polijsten?
Zo vervoeg je polijsten zo: de tegenwoordige tijd is polijst, de verleden tijd is polijstte en het voltooid deelwoord is gepolijst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op polijsten?

In dit woordenboek rijmen 7 woorden op -lijsten op polijsten, zoals aandachtspuntenlijsten, aanslaglijsten en afwerklijsten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op polijsten, uitspraak poˈlɛistən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
aandachtspuntenlijsten 6
aanslaglijsten 4
afwerklijsten 5
dealerlijsten 4
lijsten 2
verwijderlijsten 5
vragenlijsten 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord polijsten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. O 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

polijsten levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

polijsten in het kort

polijsten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van polijsten staan er 74 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort polijsten bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

polijsten: een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
Deel polijsten — standaardnederlands.nl