poliep
zelfstandig naamwoord poˈlipBetekenis
- neteldier met verscheidene voelers of armen
- gezwel (op het slijmvlies)
- inktvis
Hoe spreek je poliep uit?
/poˈlip/
Poliep bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| o | boot |
| l | land |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor neteldieren in het stadium waarin ze de vorm hebben van een krans van tentakels rond een mondopening die via een buis aan de voet is verbonden
- benaming voor koppotige dieren obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| poliepen | meervoud |
| poliepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| poliepjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘woekering’ voor het eerst aangetroffen in 1906
Woordfamilie van poliep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| poliepen | meervoud | poliep |
| poliepje | verkleinwoord | poliep |
| poliepjes | verkleinwoord meervoud | poliep |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van poliep zijn vastgelegd.