pleister
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈplɛistərBetekenis
- kalkmengsel om te gieten of muren mee te besmeren
- dun velletje dat op de huid geplakt wordt, ter bescherming bij een kleine wond of blaar of om iets tijdelijk aan het lichaam vast te maken
Hoe spreek je pleister uit?
/ˈplɛistər/
Pleister bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- / dun velletje zelfklevend verband dat op de huid geplakt wordt, ter bescherming bij een kleine wond of blaar of om iets tijdelijk aan het lichaam vast te maken feminine, masculine
- lapmiddel dat geen echte oplossing is figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pleisters | enkelvoud |
| pleistertje | verkleinwoord, tweede persoon |
| pleistertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| – | verkleinwoord, eerste persoon |
| – | verkleinwoord, enkelvoud |
| – | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pleisteren
- gebiedende wijs van pleisteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pleisteren
Vervoeging van pleister
pleisterhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands plastre / plaister, in de betekenis van "specie waarmee gepleisterd wordt" voor het eerst aangetroffen in 1477, mogelijk via Oudfrans plastre van middeleeuws Latijn plastrum / plaustrum "kalkmengsel, pleisterzalf"
Woordfamilie van pleister
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pleisters | enkelvoud | pleister |
| pleistertje | verkleinwoord, 2e persoon | pleister |
| pleistertjes | verkleinwoord | pleister |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pleister zijn vastgelegd.