plafonneren
werkwoordBetekenis
- van een plafond voorzien
Vervoeging van plafonneren
plafonnerenhele werkwoord — plafonneerdeverleden tijd enkelvoud — plafonneerdenverleden tijd meervoud — geplafonneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plafonneer | plafonneerde |
| jij | plafonneert | plafonneerde |
| hij, zij, het | plafonneert | plafonneerde |
| wij | plafonneren | plafonneerden |
| jullie | plafonneren | plafonneerden |
| zij | plafonneren | plafonneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geplafonneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geplafonneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geplafonneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geplafonneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geplafonneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geplafonneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geplafonneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geplafonneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geplafonneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geplafonneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplafonneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplafonneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplafonneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplafonneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplafonneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplafonneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplafonneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplafonneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplafonneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplafonneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plafonneer | gebiedende wijs |
| plafonneerde | verleden tijd |
| plafonnere | aanvoegende wijs |
| plafonnerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geplafonneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plafonneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plafonneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geplafonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geplafonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geplafonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplafonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geplafonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geplafonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplafonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplafonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplafonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplafonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plafonneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geplafonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplafonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplafonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plafonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse plafonner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van plafonneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplafonneerd | voltooid deelwoord | plafonneren |
| plafonneer | gebiedende wijs | plafonneren |
| plafonneerde | verleden tijd | plafonneren |
| plafonneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plafonneren |
| plafonneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plafonneren |
| plafonnere | aanvoegende wijs | plafonneren |
| plafonnerend | onvoltooid deelwoord | plafonneren |
| plafonnerende | woordvorm | plafonneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plafonneren zijn vastgelegd.