Naar de inhoud

plafonneren

van een plafond voorzien

plafonneren

werkwoord

Betekenis

  1. van een plafond voorzien

Vervoeging van plafonneren

plafonnerenhele werkwoord — plafonneerdeverleden tijd enkelvoud — plafonneerdenverleden tijd meervoud — geplafonneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plafonneer plafonneerde
jij plafonneert plafonneerde
hij, zij, het plafonneert plafonneerde
wij plafonneren plafonneerden
jullie plafonneren plafonneerden
zij plafonneren plafonneerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geplafonneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geplafonneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geplafonneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geplafonneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geplafonneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geplafonneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geplafonneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geplafonneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geplafonneerd verleden tijd, deelwoord
geplafonneerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geplafonneerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geplafonneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplafonneerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplafonneerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplafonneerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geplafonneerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geplafonneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geplafonneerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geplafonneerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geplafonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geplafonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geplafonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geplafonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geplafonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geplafonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geplafonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplafonneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plafonneer gebiedende wijs
plafonneerde verleden tijd
plafonnere aanvoegende wijs
plafonnerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geplafonneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te plafonneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen plafonneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geplafonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geplafonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geplafonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geplafonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geplafonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geplafonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geplafonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geplafonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geplafonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplafonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geplafonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geplafonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geplafonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geplafonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplafonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplafonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen plafonneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geplafonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geplafonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geplafonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult plafonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse plafonner (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van plafonneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geplafonneerd voltooid deelwoord plafonneren
plafonneer gebiedende wijs plafonneren
plafonneerde verleden tijd plafonneren
plafonneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon plafonneren
plafonneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon plafonneren
plafonnere aanvoegende wijs plafonneren
plafonnerend onvoltooid deelwoord plafonneren
plafonnerende woordvorm plafonneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plafonneren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over plafonneren

Wat betekent plafonneren?
Plafonneren is een werkwoord. Het woord betekent: van een plafond voorzien.
Hoe vervoeg je plafonneren?
Je vervoegt plafonneren als volgt: de tegenwoordige tijd is plafonneer, de verleden tijd is plafonneerde en het voltooid deelwoord is geplafonneerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord plafonneren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. F 4
  5. O 1
  6. N 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

plafonneren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. F 4
  5. O 1
  6. N 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

plafonneren in het kort

plafonneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van plafonneren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort plafonneren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

plafonneren: van een plafond voorzien
Deel plafonneren — standaardnederlands.nl