plaatsnemen
werkwoord /ˈplatsnemə(n)/Betekenis
- gaan zitten op een daartoe bestemde plek
Hoe spreek je plaatsnemen uit?
/ˈplatsnemən/
Plaatsnemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
| s | sok |
| n | nek |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van plaatsnemen
plaatsnemenhele werkwoord — nam plaatsverleden tijd enkelvoud — namen plaatsverleden tijd meervoud — plaatsgenomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | neem plaats | nam plaats |
| jij | neemt plaats | naamt plaats |
| hij, zij, het | neemt plaats | nam plaats |
| wij | nemen plaats | namen plaats |
| jullie | nemen plaats | namen plaats |
| zij | nemen plaats | namen plaats |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt plaatsgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben plaatsgenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft plaatsgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nam plaats | verleden tijd |
| neem plaats | gebiedende wijs |
| plaats te nemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| plaats te zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| plaats zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
| plaats zou nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zouden nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zoudt nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| plaats zullen nemen | bijzin, toekomende tijd |
| plaats zult nemen | bijzin, toekomende tijd |
| plaatsgenomen | verleden tijd, deelwoord |
| plaatsgenomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| plaatsgenomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| plaatsnaamt | bijzin, verleden tijd |
| plaatsnam | bijzin, verleden tijd |
| plaatsnamen | bijzin, verleden tijd |
| plaatsneem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| plaatsneemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| plaatsnemend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben plaatsgenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plaatsnemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal plaatsnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zou plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou plaatsnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) plaatsnemen plaats zou(dt) nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden plaatsnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt plaatsgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt plaatsnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plaatsnemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen plaatsnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zult plaatsgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plaatsnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult plaatsnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal plaatsnemen plaats zult/zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van plaats en nemen
Woordfamilie van plaatsnemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| naamt plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | plaatsnemen |
| nam plaats | verleden tijd | plaatsnemen |
| namen plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plaatsnemen |
| neem plaats | gebiedende wijs | plaatsnemen |
| neemt plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plaatsnemen |
| neme plaats | woordvorm | plaatsnemen |
| nemen plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | plaatsnemen |
| plaatsgenomen | voltooid deelwoord | plaatsnemen |
| plaatsnam | subordinate-clause, verleden tijd | plaatsnemen |
| plaatsneem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | plaatsnemen |
| plaatsneemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | plaatsnemen |
| plaatsneme | with-subordinate-clause | plaatsnemen |
| plaatsnemend | onvoltooid deelwoord | plaatsnemen |
| plaatsnemende | woordvorm | plaatsnemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plaatsnemen zijn vastgelegd.