plaatshebben
werkwoordBetekenis
- gebeuren, zich afspelen
Vervoeging van plaatshebben
plaatshebbenhele werkwoord — had plaatsverleden tijd enkelvoud — hadden plaatsverleden tijd meervoud — plaatsgehadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heb plaats | had plaats |
| jij | hebt plaats | (hadt plaats) |
| hij, zij, het | heeft plaats | had plaats |
| wij | hebben plaats | hadden plaats |
| jullie | hebben plaats | hadden plaats |
| zij | hebben plaats | hadden plaats |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had plaats | verleden tijd |
| had plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt plaatsgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb plaats | gebiedende wijs |
| heb plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben plaatsgehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft plaatsgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plaats te hebben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| plaats te zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| plaats zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
| plaats zou hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zouden hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zoudt hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| plaats zullen hebben | bijzin, toekomende tijd |
| plaats zult hebben | bijzin, toekomende tijd |
| plaatsgehad | verleden tijd, deelwoord |
| plaatsgehad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| plaatsgehad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| plaatshad | bijzin, verleden tijd |
| plaatshadden | bijzin, verleden tijd |
| plaatshadt | bijzin, verleden tijd |
| plaatsheb | bijzin, tegenwoordige tijd |
| plaatshebbend | onvoltooid, deelwoord |
| plaatshebt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| plaatsheeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben plaatsgehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plaatshebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal plaatshebben | bijzin, toekomende tijd |
| zou plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou plaatshebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) plaatshebben plaats zou(dt) hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden plaatshebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt plaatsgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt plaatshebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plaatshebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen plaatshebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult plaatsgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plaatshebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult plaatshebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal plaatshebben plaats zult/zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van plaats en hebben
Woordfamilie van plaatshebben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| had plaats | verleden tijd | plaatshebben |
| hadden plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plaatshebben |
| heb plaats | gebiedende wijs | plaatshebben |
| hebbe plaats | woordvorm | plaatshebben |
| hebben plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | plaatshebben |
| plaatsgehad | voltooid deelwoord | plaatshebben |
| plaatshad | subordinate-clause, verleden tijd | plaatshebben |
| plaatshadden | subordinate-clause, verleden tijd | plaatshebben |
| plaatsheb | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | plaatshebben |
| plaatshebbe | with-subordinate-clause | plaatshebben |
| plaatshebbend | onvoltooid deelwoord | plaatshebben |
| plaatshebbende | woordvorm | plaatshebben |
| plaatshebt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | plaatshebben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plaatshebben zijn vastgelegd.