Naar de inhoud

plaatshebben

gebeuren, zich afspelen

plaatshebben

werkwoord

Betekenis

  1. gebeuren, zich afspelen

Vervoeging van plaatshebben

plaatshebbenhele werkwoord — had plaatsverleden tijd enkelvoud — hadden plaatsverleden tijd meervoud — plaatsgehadvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik heb plaats had plaats
jij hebt plaats (hadt plaats)
hij, zij, het heeft plaats had plaats
wij hebben plaats hadden plaats
jullie hebben plaats hadden plaats
zij hebben plaats hadden plaats
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had plaats verleden tijd
had plaatsgehad voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had plaatsgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had plaatsgehad voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden plaatsgehad voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden plaatsgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden plaatsgehad voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt plaatsgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb plaats gebiedende wijs
heb plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben plaatsgehad actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft plaatsgehad voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plaats te hebben actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
plaats te zullen hebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
plaats zal hebben bijzin, toekomende tijd
plaats zou hebben bijzin, voorwaardelijk
plaats zouden hebben bijzin, voorwaardelijk
plaats zoudt hebben bijzin, voorwaardelijk
plaats zullen hebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
plaats zullen hebben bijzin, toekomende tijd
plaats zult hebben bijzin, toekomende tijd
plaatsgehad verleden tijd, deelwoord
plaatsgehad te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
plaatsgehad zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
plaatshad bijzin, verleden tijd
plaatshadden bijzin, verleden tijd
plaatshadt bijzin, verleden tijd
plaatsheb bijzin, tegenwoordige tijd
plaatshebbend onvoltooid, deelwoord
plaatshebt bijzin, tegenwoordige tijd
plaatsheeft bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben plaatsgehad actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen plaatshebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal plaatshebben bijzin, toekomende tijd
zou plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou plaatshebben bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) plaatshebben plaats zou(dt) hebben bijzin, voorwaardelijk
zouden plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden plaatshebben bijzin, voorwaardelijk
zoudt plaatsgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt plaatshebben bijzin, voorwaardelijk
zullen plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen plaatshebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen plaatshebben bijzin, toekomende tijd
zult plaatsgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult plaatshebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult plaatshebben bijzin, toekomende tijd
zult/zal plaatshebben plaats zult/zal hebben bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van plaats en hebben

Woordfamilie van plaatshebben

Woordvorm Relatie Afgeleid van
had plaats verleden tijd plaatshebben
hadden plaats aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon plaatshebben
heb plaats gebiedende wijs plaatshebben
hebbe plaats woordvorm plaatshebben
hebben plaats aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon plaatshebben
plaatsgehad voltooid deelwoord plaatshebben
plaatshad subordinate-clause, verleden tijd plaatshebben
plaatshadden subordinate-clause, verleden tijd plaatshebben
plaatsheb subordinate-clause, tegenwoordige tijd plaatshebben
plaatshebbe with-subordinate-clause plaatshebben
plaatshebbend onvoltooid deelwoord plaatshebben
plaatshebbende woordvorm plaatshebben
plaatshebt subordinate-clause, tegenwoordige tijd plaatshebben

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plaatshebben zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over plaatshebben

Wat is de betekenis van plaatshebben?
Plaatshebben is een werkwoord. De betekenis is: gebeuren, zich afspelen.
Hoe vervoeg ik plaatshebben?
Zo vervoeg je plaatshebben zo: het voltooid deelwoord is plaatsgehad. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord plaatshebben is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. A 1
  5. T 2
  6. S 2
  7. H 4
  8. E 1
  9. B 3
  10. B 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

plaatshebben levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. A 1
  5. T 2
  6. S 2
  7. H 4
  8. E 1
  9. B 4
  10. B 4
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 zonder bonus
  14. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

plaatshebben in het kort

plaatshebben staat in dit woordenboek als werkwoord. Van plaatshebben staan er 49 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort plaatshebben bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

plaatshebben: gebeuren, zich afspelen
Deel plaatshebben — standaardnederlands.nl